Jullie gaan scheiden. Dat is een ingrijpende beslissing met veel gevolgen. Je weet dat je afspraken moet maken over je kinderen, de alimentatie, je huis en over de verdeling van jullie bezittingen. Maar waar je misschien niet direct aan denkt, is het pensioen dat jullie hebben opgebouwd tijdens jullie huwelijk. Dit opgebouwde pensioen moet namelijk ook verdeeld worden. Je verdeelt het pas wanneer je echt met pensioen gaat, maar je kunt nu al samen afspraken maken over die verdeling.


Het te verdelen pensioen is te splitsen in het ouderdomspensioen en het nabestaandenpensioen. Het basispensioen (AOW) hoef je niet te delen met je ex-partner.


Ouderdomspensioen

Ook als jullie gescheiden zijn, heb jij recht op een deel van het pensioen van je ex-partner. Dit staat in de Wet verevening pensioenrechten. Je krijgt, tenzij je iets anders afgesproken hebt, de helft van het pensioen dat je partner tijdens jullie huwelijk heeft opgebouwd. Overigens heb je geen rechter nodig om dit te regelen.


Je ouderdomspensioen bouw je op via je werkgever, door te sparen of door te beleggen. Het opgebouwde bedrag krijg je uitgekeerd wanneer je 65 jaar wordt.


Bij een echtscheiding hebben jij en je ex-partner volgens de Wet verevening pensioenrechten allebei recht op een deel van elkaars pensioen. Het gaat dan om het ouderdomspensioen dat is opgebouwd tijdens het huwelijk of geregistreerd partnerschap. Hierbij maakt het niet uit of je getrouwd bent in gemeenschap van goederen of op huwelijkse voorwaarden.


Afstand doen van je recht

Je hoeft je pensioen niet te delen. Je kunt in je echtscheidingsconvenant laten opnemen, dat je elkaars ouderdomspensioen niet wilt. Je doet dan afstand van je recht op een deel van het pensioen van de ander. Je krijgt je deel van het pensioen ook niet als je in je huwelijkse voorwaarden hebt afgesproken, dat je er geen recht op hebt.


Heb je vóór 1 mei 1995 huwelijkse voorwaarden opgemaakt, waarbij het pensioen buiten de gemeenschap valt? Door invoering van de Wet verevening pensioenrechten zul je het ouderdomspensioen toch met je ex-partner moeten delen. Wil je niet dat je ex-partner een deel van je opgebouwde pensioen krijgt, dan moet je nieuwe afspraken maken in een echtscheidingsconvenant. Neem hiervoor zo snel mogelijk contact op met je advocaat.


Uitbetaling ouderdomspensioen

Wanneer je gescheiden bent, moet je dit melden aan de pensioenuitvoerder. Je krijgt dan een speciaal aanmeldingsformulier toegestuurd. Let er op dat je de scheiding binnen twee jaar meldt. Zodra de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt, betaalt de pensioenuitvoerder het verdeelde ouderdomspensioen rechtstreeks aan jullie allebei uit. De uitbetaling vindt plaats zolang jullie allebei in leven zijn. De kosten van het verdelen van het pensioen berekent de pensioenuitvoerder aan jullie beiden door.


Ben je nu samen een andere verdeling overeengekomen of zie je af van je recht op het pensioen van je ex-partner, dan moet je een afschrift van het echtscheidingsconvenant of van de huwelijkse voorwaarden opsturen. Voor beide akten heb je een advocaat nodig.


Conversie

Bij een echtscheiding kun je ook nog kiezen voor conversie (omzetting). Je doet daarbij definitief afstand van de helft van je ouderdomspensioen. De helft waar je ex-partner recht op heeft, wordt dan zijn of haar eigen ouderdomspensioen. Je ex-partner ontvangt dat ouderdomspensioen zodra hij of zij zelf de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Een nadeel van conversie is, dat je als pensioenopbouwer je deel niet meer terugkrijgt wanneer je ex-partner overlijdt.


De afspraken die je maakt over conversie moet je vastleggen in een echtscheidingsconvenant of in de huwelijkse voorwaarden. Conversie is alleen toegestaan als de pensioenuitvoerder toestemming geeft. Bij scheiding van tafel en bed is conversie niet mogelijk.


Nabestaandenpensioen

Naast een ouderdomspensioen kun je ook een nabestaandenpensioen opbouwen. Komt je partner te overlijden, dan wordt het pensioen uitgekeerd aan de nabestaanden. Overlijdt je partner nadat jullie gescheiden zijn, dan krijg je een bijzonder nabestaandenpensioen uitgekeerd.

Een ouderdomspensioen kan uitgebreid worden met een nabestaandenpensioen, ofwel partnerpensioen. Overlijdt de pensioenopbouwer, dan wordt zijn of haar pensioen uitgekeerd aan de nabestaanden (partner en kinderen).


Bijzonder nabestaandenpensioen

Als je gescheiden bent en je ex-partner overlijdt, heb je nog steeds recht op (een deel van) zijn of haar nabestaandenpensioen. Na een scheiding wordt dit pensioen een bijzonder nabestaandenpensioen genoemd. Het bijzonder nabestaandenpensioen bestaat uit het bedrag dat is opgebouwd voor jullie scheiding. Je hebt dus geen recht meer op het geld dat na jullie scheiding opzij is gezet.


Een nabestaandenpensioen op risicobasis keert alleen uit bij overlijden tijdens het huwelijk. Bij ontslag, pensioen en echtscheiding vervalt de aanspraak op het nabestaandenpensioen op risicobasis.


Uitkering bijzonder nabestaandenpensioen

Volgens de wet heb je recht op het bijzonder nabestaandenpensioen bij een echtscheiding en bij het einde van een geregistreerd partnerschap. Bij een scheiding van tafel en bed ben je officieel nog steeds getrouwd. Komt je partner te overlijden, dan krijg je een nabestaandenpensioen. Pas bij ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed wordt het een bijzonder nabestaandenpensioen.


Het bijzonder nabestaandenpensioen dat bij overlijden van je ex-partner wordt uitgekeerd, is meestal zeventig procent van het ouderdomspensioen. Kijk je pensioenregeling er goed op na hoeveel in jouw situatie wordt uitgekeerd.


Andere afspraken

Je kunt afwijken van de wettelijke regeling over het nabestaandenpensioen. Voor het maken van andere afspraken, is het verstandig een advocaat in te schakelen. Om deze afspraken rechtsgeldig te maken, moet er een echtscheidingsconvenant worden opgesteld.


Wat gebeurt er als mijn ex-partner hertrouwt?

Je hebt dan nog steeds recht op het bijzonder nabestaandenpensioen. De nieuwe echtgeno(o)t(e) van jouw ex-partner krijgt bij overlijden daardoor minder uitgekeerd.


Verevening pensioenrechten

In deze wettekst staat dat jij de helft van het ouderdomspensioen krijgt dat jouw ex tijdens jullie huwelijk heeft opgebouwd. Ook staat er informatie in over het nabestaandenpensioen en wie de pensioenen uitbetaalt.


In de Wet verevening pensioenrechten is geregeld, dat je recht hebt op de helft van het ouderdomspensioen van je ex-partner. Maar misschien hebben jij en je ex-partner andere afspraken gemaakt. Waar moet je dan rekening mee houden? Aan wie en wanneer moet je melden dat je gescheiden bent? Hoe verloopt de uitbetaling van het pensioen? Heb je recht op een nabestaandenpensioen?


Waarschijnlijk zit je met allerlei vragen en loop je tegen veel informatie aan. En dat terwijl je van alles aan je hoofd hebt. Wij hebben het een en ander over het ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen voor je uiteengezet.


Hieronder zie je de letterlijke wettekst waarin staat dat jij de helft van het ouderdomspensioen krijgt dat jouw ex-partner tijdens jullie huwelijk heeft opgebouwd.


Wet verevening pensioenrechten bij scheiding

Wet van 28 april 1994, tot vaststelling van regels met betrekking tot de verevening van pensioenrechten bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed (Wet verevening pensioenrechten bij scheiding) en daarmede verband houdende wijzigingen in andere wetten.


Artikel 1

1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:


a. scheiding: echtscheiding of scheiding van tafel en bed dan wel beëindiging van het geregistreerd partnerschap anders dan door de dood of vermissing;

b. tijdstip van scheiding: ingeval van echtscheiding dan wel beëindiging van het geregistreerd partnerschap anders dan door de dood of vermissing: de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand;

ingeval van scheiding van tafel en bed: de datum van inschrijving van de beschikking in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

c. uitvoeringsorgaan: de natuurlijke of rechtspersoon, die tot uitbetaling van pensioen gehouden is;

d. pensioen: ouderdomspensioen;

e. werkgever: de werkgever van de tot verevening verplichte echtgenoot;

f. nabestaandenpensioen: weduwen- en weduwnaarspensioen dan wel pensioen ten behoeve van de achtergebleven geregistreerde partner, waaronder begrepen bijzonder weduwen- en weduwnaarspensioen onderscheidenlijk bijzonder pensioen ten behoeve van de achtergebleven geregistreerde partner.


2. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt mede verstaan onder


a. echtgenoot: eerdere echtgenoot dan wel geregistreerde partner of eerdere geregistreerde partner;

b. aanspraak op pensioen: uitzicht op pensioen;

c. pensioen: een herberekend invaliditeitspensioen of een uit hoofde van ziekte of gebreken ingevolge de in het vierde lid, onder d, genoemde wetten toegekend pensioen dat naar diensttijd is berekend, een en ander met ingang van de eerste dag van de maand waarin de leeftijd van 65 jaar is bereikt;

d. huwelijkse voorwaarden: voorwaarden van een geregistreerd partnerschap;

e. huwelijkssluiting: registratie van een partnerschap;

f. hertrouwen: het aangaan van een huwelijk na een geregistreerd partnerschap, het aangaan van een geregistreerd partnerschap na een huwelijk dan wel het opnieuw aangaan van een geregistreerd partnerschap.


3. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder pensioen niet verstaan een ingegaan tijdelijk pensioen of een aanspraak op tijdelijk pensioen op grond van regelingen ingevolge welke alleen een recht op uitkering van pensioen bestaat indien aan betrokkenen aansluitend aan hun dienstverband dat tijdelijk pensioen wordt dan wel zal worden uitgekeerd.


4. Deze wet is van toepassing op pensioen ingevolge:

a. een pensioenregeling op grond van een pensioentoezegging in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet (Stb. 1981, 18);

b. een pensioenregeling die van toepassing is op degenen, voor wie met toepassing van:


1. de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds, zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioen 2000, de deelneming in dat bedrijfstakpensioenfonds verplicht was gesteld, voorzover de regeling niet onder onderdeel a viel, of


2. Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, de deelneming in dat bedrijfstakpensioenfonds verplicht is gesteld, voorzover de regeling niet onder onderdeel a valt.


c. de bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen;

d. de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Stb. 1979, 519);

e. de pensioenregeling bedoeld in de Wet tot invoering van een leeftijdsgrens voor het notarisambt en oprichting van een notarieel pensioenfonds (Stb. 1954, 407);

g. [vervallen.]

h. een beroepspensioenregeling in de zin van de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling (Stb. 1972, 400);

i. een pensioenregeling op grond van een pensioentoezegging van een natuurlijk persoon aan degene, die met hem een overeenkomst heeft tot het verrichten van huiselijke of andere persoonlijke diensten;

j. de pensioenregeling welke van toepassing is op werknemers in de sociale werkvoorziening.


5. Deze wet is voorts van toepassing op pensioen als bedoeld in:


a. de Samenloopregeling Indonesische pensioenen 1960 (Stb. 1963, 212);

b. de Wet aanpassing pensioenvoorzieningen Bijstandskorps (Stb. 1965, 550).


6. De wet is voorts mede van toepassing op pensioen dat is opgebouwd uit middelen welke ten laste komen van het Fonds Voorheffing Pensioenverzekering, bedoeld in artikel 3 van de Wet tot bevriezing van het kinderbijslagbedrag voor het eerste kind, alsmede oprichting van het Fonds Voorheffing Pensioenverzekering (Stb. 1972, 702) zoals deze wet luidde op de dag voor inwerkingtreding van de Wet privatisering FVP en op pensioen dat is opgebouwd uit middelen welke ten laste komen van de stichting die op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering FVP is aangewezen.


7. Het vierde, vijfde en zesde lid gelden ongeacht het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten.


8. Indien op het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten Nederlands recht van toepassing is, is de wet voorts van toepassing op pensioenen ingevolge een buitenlandse pensioenregeling die niet is een pensioenregeling als bedoeld in het vierde, vijfde of zesde lid met dien verstande dat een recht op uitbetaling als bedoeld in artikel 2 slechts bestaat jegens de andere echtgenoot.


9. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen uitkeringen ingevolge enigerlei regeling worden aangemerkt als pensioen in de zin van deze wet.


Artikel 2


1. In geval van scheiding en voor zover de ene echtgenoot na de huwelijkssluiting en voor de scheiding pensioenaanspraken heeft opgebouwd, heeft de andere echtgenoot overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet recht op pensioenverevening, tenzij de echtgenoten de toepasselijkheid van deze wet hebben uitgesloten bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding.


2. Ingevolge het in het eerste lid bedoelde recht op verevening ontstaat jegens het uitvoeringsorgaan een recht op uitbetaling van een deel van elk van de uit te betalen termijnen van het pensioen, mits binnen twee jaar na het tijdstip van scheiding van die scheiding en van het tijdstip van scheiding door een van beide echtgenoten mededeling is gedaan aan het uitvoeringsorgaan door middel van een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en bekend gemaakt in de Staatscourant. Een recht op uitbetaling jegens het uitvoeringsorgaan sluit een recht op uitbetaling jegens de tot verevening verplichte echtgenoot uit. Ingeval partijen de toepasselijkheid van deze wet hebben uitgesloten moeten zij een gewaarmerkt afschrift of uittreksel van de in het eerste lid bedoelde overeenkomst aan het uitvoeringsorgaan overleggen. Indien de echtgenoten zulks nalaten kan deze overeenkomst niet aan het uitvoeringsorgaan worden tegengeworpen, zelfs indien de overeenkomst ingeschreven was in het openbaar huwelijksgoederenregister bedoeld in artikel 116, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.


3. De uitbetaling geschiedt onder de voorwaarden vermeld in de toepasselijke regeling. Indien het tijdstip van scheiding voor pensioeningang ligt of daarmee samenvalt, gaat de uitbetaling in op het tijdstip van pensioeningang, met dien verstande dat deze uitbetaling niet eerder ingaat dan een maand na de datum waarop het uitvoeringsorgaan het in het tweede lid bedoelde formulier heeft ontvangen. Indien het tijdstip van scheiding na pensioeningang ligt, gaat de uitbetaling in een maand na de datum waarop het uitvoeringsorgaan het in het tweede lid bedoelde formulier heeft ontvangen.


4. Het recht op uitbetaling eindigt op het tijdstip waarop het recht op pensioen eindigt of met het einde van de maand waarin de tot verevening gerechtigde echtgenoot is overleden. Het recht op uitbetaling eindigt eveneens met het einde van de maand waarin de echtgenoten een schriftelijke mededeling aan het uitvoeringsorgaan hebben gedaan, dat zij met elkaar zijn hertrouwd dan wel, ingeval van scheiding van tafel en bed, in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, hebben doen inschrijven dat de scheiding heeft opgehouden te bestaan.


5. Na ontvangst van het in het tweede lid bedoelde formulier verstrekt het uitvoeringsorgaan aan de tot verevening gerechtigde echtgenoot een bewijsstuk waaruit de tijdens het huwelijk opgebouwde aanspraak waarop de verevening zal worden gebaseerd blijkt alsmede de in het derde lid bedoelde ingangsdatum van de uitbetaling. De andere echtgenoot ontvangt daarvan een afschrift.


6. De tot verevening gerechtigde echtgenoot heeft een recht op uitbetaling jegens de andere echtgenoot indien niet ingevolge het tweede lid een recht op uitbetaling jegens het uitvoeringsorgaan is ontstaan, alsmede indien de uitbetaling ingevolge het derde lid ingaat na pensioeningang. In dit laatste geval houdt het recht op uitbetaling jegens de andere echtgenoot op zodra de uitbetaling door het uitvoeringsorgaan ingaat. Op het recht op uitbetaling jegens de andere echtgenoot is het bepaalde bij of krachtens deze wet van overeenkomstige toepassing.


Artikel 3


1. Het deel bedoeld in artikel 2, tweede lid, bedraagt de helft van het pensioen dat zou moeten worden uitbetaald indien:

a. de tot verevening verplichte echtgenoot uitsluitend gedurende de deelnemingsjaren tussen de huwelijkssluiting en het tijdstip van scheiding zou hebben deelgenomen;

b. hij op het tijdstip van scheiding de deelneming beëindigd zou hebben; en

c. hij tijdens de periode dat hij recht op pensioen heeft gehuwd of geregistreerd zou zijn.


2. Indien het pensioen na ingang daarvan wordt verhoogd of verlaagd, word het bedrag dat voortvloeit uit het eerste lid verhoogd of verlaagd met een evenredig deel van de verhoging of verlaging van het pensioen.


3. Een pensioen wordt niet verevend, indien op het tijdstip van scheiding het deel van dat pensioen, waarop recht op uitbetaling ontstaat, het in Artikel 32, vijfde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet genoemde bedrag niet te boven gaat.


Artikel 4


1. Bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding kunnen de echtgenoten in afwijking van artikel 3, aanhef en onderdeel a van het eerste lid, overeenkomen het deel bedoeld in artikel 2, tweede lid, te bepalen op een door hen te kiezen vast percentage dan wel de in artikel 3, eerste lid, onder a, nader bepaalde periode te wijzigen. Het bij geschrift met het oog op de scheiding door de echtgenoten overeen te komen deel kan niet worden bepaald op een percentage dat op het tijdstip van scheiding resulteert in een pensioenaanspraak gelijk aan of lager dan het in artikel 3, derde lid, bedoelde bedrag.


2. Mits de echtgenoten binnen twee jaar na het tijdstip van scheiding een gewaarmerkt afschrift of uittreksel van de in het eerste lid bedoelde overeenkomst aan het uitvoeringsorgaan hebben overgelegd, is het uitvoeringsorgaan gebonden aan hetgeen door de echtgenoten is overeengekomen doch slechts voor wat betreft de periode gelegen na ontvangst van het afschrift of uittreksel van de overeenkomst. Indien de echtgenoten zulks nalaten kan deze overeenkomst niet aan het uitvoeringsorgaan worden tegengeworpen, zelfs indien de overeenkomst ingeschreven was in het openbaar huwelijksgoederenregister bedoeld in artikel 116, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.


3. Na ontvangst van het afschrift of uittreksel van de in het eerste lid bedoelde overeenkomst verstrekt het uitvoeringsorgaan aan de tot verevening gerechtigde echtgenoot een bewijsstuk als bedoeld in het vijfde lid van artikel 2. De andere echtgenoot ontvangt daarvan een afschrift.


Artikel 5


1. Bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding kunnen de echtgenoten in geval van echtscheiding dan wel beëindiging van het geregistreerd partnerschap anders dan door de dood of vermissing overeenkomen, dat artikel 2, tweede tot en met zesde lid, buiten toepassing blijft en dat de echtgenoot die anders een recht op uitbetaling van pensioen zou hebben verkregen in de plaats van dat recht en zijn aanspraak op nabestaandenpensioen jegens het uitvoeringsorgaan een eigen recht op pensioen verkrijgt. De overeenkomst is slechts geldig indien aan de overeenkomst een verklaring van het betrokken uitvoeringsorgaan is gehecht dat het instemt met bedoelde omzetting.


2. Mits de echtgenoten binnen twee jaar na het tijdstip van scheiding een gewaarmerkt afschrift of uittreksel van de in het eerste lid bedoelde overeenkomst aan het uitvoeringsorgaan hebben overgelegd, is het uitvoeringsorgaan gebonden aan hetgeen door de echtgenoten is overeengekomen doch slechts voor wat betreft de periode gelegen na ontvangst van het afschrift of uittreksel van de overeenkomst. Indien de echtgenoten zulks nalaten kan deze overeenkomst niet aan het uitvoeringsorgaan worden tegengeworpen, zelfs indien de overeenkomst ingeschreven was in het openbaar huwelijksgoederenregister bedoeld in artikel 116, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.


3. Na ontvangst van het afschrift of uittreksel van de in het eerste lid bedoelde overeenkomst verstrekt het uitvoeringsorgaan aan de tot verevening gerechtigde echtgenoot een bewijsstuk van zijn eigen recht op pensioen. De andere echtgenoot ontvangt daarvan een afschrift; hij ontvangt voorts een opgave van zijn verminderd pensioen.


Artikel 6


1. Het uitvoeringsorgaan is bevoegd om de kosten van een verevening voor de helft aan ieder der echtgenoten in rekening te brengen dan wel in mindering te brengen op de aan hen uit te betalen bedragen.


2. Met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde kosten kunnen door onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met onze Ministers wie dat aangaat nadere regels worden gesteld.


Artikel 7


1. Voor de toepassing van wettelijke en andere bepalingen met betrekking tot beslag, inhouding en korting wordt het deel van het pensioen dat niet aan de tot verevening verplichte echtgenoot wordt uitbetaald geacht niet tot diens pensioen te behoren.


2. Voor de toepassing van wettelijke en andere bepalingen met betrekking tot de mogelijkheid om te beschikken over pensioen of een aanspraak op pensioen wordt het deel van het pensioen of de aanspraak op een deel van het pensioen, welk deel niet aan de tot verevening verplichte echtgenoot wordt uitbetaald, geacht niet tot diens pensioen onderscheidenlijk aanspraak op pensioen te behoren.


3. Afkoop in de zin van de toepasselijke regeling is slechts toegestaan indien met de pensioenbelangen van de tot verevening gerechtigde echtgenoot op redelijke wijze rekening is gehouden.


4. Met betrekking tot de berekening en het recht op uitbetaling van het pensioen van de tot verevening gerechtigde echtgenoot in geval van afkoop in de zin van artikel 32a, artikel 32b, eerste lid en artikel 32ba, eerste lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet, alsmede hetgeen daarmee overeenkomt in de overheidspensioenwetten kunnen door onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met onze Ministers wie dat aangaat nadere regels worden gesteld.


5. Voor de toepassing van wettelijke bepalingen met betrekking tot een volmacht tot invordering van pensioen wordt het deel van het pensioen dat niet aan de tot verevening verplichte echtgenoot wordt uitbetaald geacht niet tot diens pensioen te behoren.


Artikel 8


1. Indien een pensioen wordt verlaagd of verhoogd, uitsluitend wegens ingang op een vroeger of later tijdstip dan het op grond van de desbetreffende regeling normale tijdstip, wordt het deel, bedoeld in artikel 2, tweede lid, op overeenkomstige wijze verlaagd of verhoogd.


2. Indien een pensioen wordt verminderd wegens samenloop met één of meer andere te verevenen pensioenen wordt het deel, bedoeld in artikel 2, tweede lid, op overeenkomstige wijze verminderd.


Artikel 9


De echtgenoten, het uitvoeringsorgaan en de werkgever zijn gehouden desgevraagd elkaar over en weer die gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de rechten en verplichtingen die uit deze wet voortvloeien.


Artikel 10


Bij ministeriële regeling worden door onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met onze Ministers wie dat aangaat nadere regels gesteld voor de berekening van pensioen dat betrekking heeft op de deelnemingsjaren gelegen voor de datum van inwerkingtreding van deze wet.


Artikel 11


Indien de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden gemaakt voor de inwerkingtreding van deze wet algehele gemeenschap van goederen tussen hen hebben uitgesloten of beperkt, vindt verevening van pensioenrechten als bedoeld in deze wet plaats, tenzij de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding uitdrukkelijk anders hebben bepaald.


Artikel 12


1. Deze wet is niet van toepassing op een scheiding die heeft plaatsgevonden voor de datum van inwerkingtreding van deze wet.


2. Niettemin is deze wet van overeenkomstige toepassing op een scheiding die heeft plaatsgevonden vóór 27 november 1981, mits het huwelijk ten minste 18 jaren heeft geduurd en er tijdens het huwelijk minderjarige kinderen waren van de echtgenoten tezamen of van één van hen, en met dien verstande dat het deel bedoeld in artikel 2, tweede lid, slechts één vierde bedraagt van het pensioen dat ingevolge artikel 3, eerste en tweede lid, zou moeten worden uitbetaald, en dat er geen recht op pensioenverevening is voor zover reeds aantoonbaar rekening is gehouden met de omstandigheid dat de tot verevening gerechtigde echtgenoot geen of onvoldoende pensioen had opgebouwd. Ook in geval van een geschil hieromtrent tussen de echtgenoten is het uitvoeringsorgaan gehouden tot uitbetaling ingevolge artikel 2, derde lid, zolang de rechter niet op verzoek van een der echtgenoten anders beslist.


3. Een recht op verevening ingevolge het tweede lid ontstaat slechts indien de mededeling, bedoeld in artikel 2, tweede lid, plaatsvindt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet. Artikel 2, zesde lid, is niet van toepassing.